Afgelopen week kreeg ik de volgende vraag gemaild door de onderwijsraad:

Wat zijn volgens u belangrijke ontwikkelingen in de
nabije toekomst (10 – 20 jaar) op het terrein van ict/ nieuwe technologie
en welke maatschappelijke impact zullen deze hebben? Wat zullen dergelijke
ontwikkelingen volgens u kunnen betekenen voor het onderwijs?

Een prima vraag natuurlijk alleen blijft voorspellen natuurlijk lastig zeker als het om de toekomst gaat op de wat langere termijn. En volgens mij gaat het niet zozeer om de technologie maar meer welke toepassingen aan zullen slaan. 20 jaar geleden kregen we te maken met de eerste PC’s en van mobiel konde we nog maar dromen een mobiel had toen het formaat en gewicht van een baksteen. Een eerste draadloos toestel was het type New York wat we thuis uit mochten proberen. Nieko was net geboren, 22 jaar gelden dus. Een bereik van 30 meter en beltijd 2 uur lood en loodzwaar.
Mijn eerste mobiele toestel was wel gelijk een GSM, digitaal, heel anders dan het analoge net. Ik moet een GSM omdat de analoge af te luisteren waren en dat kon natuurlijk niet als hoofd beveiliging. 13 jaar geleden ongeveer. Ik heb nog steeds datzelfde nummer en dat blijft ook zo.
Maar terug naar de vraag van de onderwijsraad. Want met de voorbeelden van hierboven in het achterhoofd een bijna onmogelijke vraag.
en dan stond er afgelopen week ook nog een stuk in het dagblad over het gebruik van Internet in de klas. Een citaat: Ruim driekwart van de leerlingen tussen 10 en 14 jaar wil meer internetles, 37 procent geeft aan dat ze nooit onderwezen worden over het wereldwijde web. Slechts 7 procent vindt dat ze iets van de docent kunnen leren over internet, zo blijkt uit het onderzoek.

Het lijkt er wel op dat die nieuwe ontwikkelingen volkomen langs het onderwijs gaan. Ik trof laatst een onderwijzer die trots was dat hij nog geen E-mail thuis had. Geen wonder dat maar 7% denkt iets van de docent te kunnen leren.

Het gaat dus niet om de techniek maar veel meer in hoever de (leiding van de) school openstaat voor nieuwe ontwikkelingen. Met name docenten blijken veel op routine te doen. 2 jaar geleden zag ik de opgaven van een proefwerk voor onze dochter. Dat waren nog kopieën van vragenlijsten die met een typemachine waren gemaakt. Gelukkig zijn het uitzonderingen maar het zegt iets over de bereidheid van de docent nieuwe technieken toe te passen.

Vernieuwingen in het onderwijs met nieuwe technieken komen dus pas echt op gang als de generatie Y (of generatie Einstein) voor de klas komt of misschien pas als die op posities komen waar ze invloed kunnen uitoefenen. Dan zullen ze de vaardigheid om meerdere dingen tegelijk te doen goed kunnen uitnutten en inpassen in lessen. Dan zal online samenwerken grootschalig worden toegepast, onafhankelijk van plaats (en tijd). Voorop gesteld natuurlijk dat er bij de opleiding van docenten er op die manier naar gekeken wordt. Dat zal dus ook een beetje de strekking zijn van mijn antwoord. Met natuurlijk een schets van “nieuwe” toepassingen als webloggen, microbloggen, mashups etc. Wat maakt dat er steeds beter virtueel contact gemaakt kan worden. Maar ik besef met heel goed dat het altijd een surrogaat blijft van een ontmoeting in levende lijve.

Archief