comminingVorige week waren we bij een bijeenkomst: the Art of Commoning. Die titel laat zich lastig vertalen. En het bleef lang onduidelijk wat commoning eigenlijk is. Het is eerder een werkwoord dan een zelfstandig naamwoord. Ik weet dat het vaag klinkt  maar misschien is het met een voorbeeld uit te leggen. The commons waren in het verleden een gemeenschappelijke weide in een dorp. In het Nederlands heette het een Meent. Zo’n Meent was een gezamenlijke bezit en een gezamenlijke verantwoordelijkheid. In onze maatschappij en ons huidige denken maken we hier een taakverdeling voor. Jantje is verantwoordelijk voor het één, Pietje voor het ander en daar zien we dan ook goed op toe. Zo was dat vroeger niet. Iedereen droeg een steentje bij. Dat zijn we in onze maatschappij kwijt geraakt.

 

In sommige culturen is het nog wel ingeburgerd en mensen die daar leven kunnen vaak niet begrijpen waarom wij het zo anders regelen. Daar is het een goed gebruik dat iemand meer krijgt als hij of zij het harder nodig heeft. Of anders verwoord: iemand doet een grotere inspanning als hij of zij voelt dat dat nodig is. Gemeenschapszin uitoefenen dus

 

Vandaag ontmoette ik iemand die recentelijk in een vluchtelingen kamp was geweest met vluchtelingen uit Syrie. Hij had daar met iemand gesproken die in een tentje in een kamp woonde bij een boer op het erf. De persoon moest voor die plek iedere dag bij de boer aan het werk. Voordat hij vluchteling werd was de persoon in kwestie een notaris. De boer maakte zwaar misbruik van de situatie. Volledig voor de boer aan het werk voor een paar vierkante meter en een beetje water.

 

Blijkbaar is het uitbuiten van een situatie (het tegenovergestelde van commoning) iets wat er makkelijk in sluipt. Maar de vraag is: “hoe krijgen we het er weer uit”. Daar ging het vorige week over. De kunst van het uitoefenen van gemeenschapszin.


Iets waar we als maatschappij deze mee geconfronteerd worden. Want is een gemeenschap een dorp, een wijk, een stad, een land of de mensheid?

Archief