Menu Sluiten

passage Geert Mak

Uit grote verwachtingen, Geert Mak

In 2011 wandelde ik met een handvol vrienden door zo’n weggegomde wereld. Het was een schitterende zondagmiddag in april, al het groen liep uit, we liepen in de zon door de weilanden in een klassiek stukje Friesland, van de ene oude dorpstoren naar de andere. Opeens viel ons iets op, en dat zeiden we ook tegen elkaar: het was doodstil. Vanouds waren de Friese lentes van een spectaculaire schoonheid, ze werden eindeloos bezongen, de weilanden barstten van de kleuren, in felle wisselingen: het wit van de madelieven, het geel van de paardenbloemen, het rood van de klaver en de zuring, het bruingrijs van het bloeiende gras zelf- nog afgezien van al die kleine bloemjuweeltjes daartussen. Daarboven buitelden de grutto’s, kieviten, leeuweriken, scholeksters, ganzen en andere herrieschoppers, horen en zien verging je op een voorjaarsdag, vooral als je door zo’n weiland liep. Rond de eeuwwisseling maakten ze me ’s ochtends vroeg nog steeds zo wakker. Twintig jaar later was het stil. ‘Silent Spring1, zoals Rachel Carson al in 1962 beschreef.

De cijfers van de vogeltellers bevestigden het beeld: de grutto’s en scholeksters waren met meer dan de helft afgenomen, de altijd juichende veldleeuwerik was zelfs bijna uitgestorven: in de jaren zeventig waren er nog bijna een miljoen, in 2019 nog maar vijfendertigduizend.

Pesticiden speelden een rol – er waren steeds minder insecten – maar vermoedelijk had deze neergang vooral te maken met al dat pompen en malen waar de Nederlanders zo dol op zijn, met de kunstmatige riviertjes die in de winter de ene kant op lopen en in de zomer de andere kant, met de veranderde waterstanden die de seizoenen van Moeder Natuur letterlijk op zijn kop zetten: in de zomer nat, in de winter en het voorjaar droog. Geen weidevogel hield het op den duur vol, op die keiharde klei.

Hele stukken van het eeuwenoude Friese landschap veranderden zo in agrarische industrieterreinen. De National Geographic betitelde Nederland ooit als een global agricultural powerhouse’, in dit volgepropte land woonden ook nog eens vier miljoen koeien, dertien miljoen varkens en honderd miljoen kippen, het was, na Amerika, de grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld. De gevolgen zagen we voor onze ogen. Ondanks de problemen van de boeren vlogen de afgelopen twintig jaar overal de megaschuren als paardenbloemen uit de grond, grote brokken lelijkheid zonder enig verband met de rest van de omgeving. De verbluffende variaties aan grassen en bloemen werden vervangen door immense vlaktes met één uniform soort raaigras, ‘groen asfalt’. Iedere greppel, ieder reliëf, iedere geschiedenis verdween, het landschap werd efficiënt als een biljartlaken. Permanent werd er gemest, gezaaid en gemaaid in een land waar geen vogel nog rust kon vinden en waar de laatste nesten met jonge vogels onder de cyclomaaiers werden verhakseld.

Door megakoeien werden intussen onwaarschijnlijke hoeveelheden melk geproduceerd,, landbouwtechnisch stonden ze hier aan de top, dit was wat de vrije markt en de wereld wilden. De Royal Friesland Campina hoorde in 2019 tot de zes grootste zuivelverwerkers op aarde – 80 procent van de productie van de ruim dertienduizend aangesloten boeren ging naar het buitenland.
Wij voeden de wereld, wees dankbaar,’ zeiden sommige boeren. De praktijk: in een naburig stadje was de oude melkfabriek door bet Duitse concern Hochwald overgenomen, de fabriek verwerkte de melk van honderdvijftig boeren uit de buurt tot room en zoetige drankjes met chemische smaken – Bonnybananenmelk, $5 procent suiker – voor de Arabische wereld. Een lokale journaliste,Jantien de Boer, publiceerde een rekensommetje: enkel voor de productie van dit tandbedervende kinderdrankje was 7500 hectare Friese grond herschapen tot een mestwoestijn, voor de suikerbieten waarmee deze melk werd gezoet hadden andere boeren ook nog eens duizenden hectares nodig. Ze citeerde een boerenzoon uit de buurt: ‘Het is om te huilen. Met landbouwsubsidies zijn duizenden hectares grond in woestijngrasland veranderd.’

Jantien de Boer vatte in haar veelgelezen pamflet alle problemen samen. ‘Landschaps pijn’ werd een begrip. In 2000 waren er in Friesland nog een kleine vijfduizend boerenbedrijven, met ruim een half miljoen runderen. Twintig jaar later was het aantal bedrijven met een derde afgenomen, welwaren er vijftigduizend koeien bij gekomen: ‘Minder boeren hebben nu meer vee? In de taal van zon grote boer: 4 Wil je meedoen op de wereldmarkt, dan moet je schaal hebben?

Tegelijk werd het land volgepompt met stront – want dat moest toch ergens heen, met of zonder fosfaatregels. Onder de graszoden was pas de werkelijke catastrofe zichtbaar. Jantien de Boer sprak een bodemonderzoeker die nacht na nacht op zijn buik, op een soort karretje, wormen telde. Hij was totaal afgeknapt toen hij een hertelling wilde doen in een stuk land waar hij eerder veel wormen vond en waar nu mest was geïnjecteerd: ‘Het land was kapotgescheurd. Er leefde bijna niets meer. Ik lag op mijn kar te janken in het veld?

Bij de presentatie van haar noodkreet, in 2017, het ze, met een bustochtje, een reeks voorbeelden zien. Ik mocht meerijden. Ik hoorde verhalen over boeren die woedend op haar waren maar ook, en steeds vaker, over boeren die zelf ook heel goed wisten dat het zo niet door kon gaan. Vooral jonge veehouders beseften dat, wilden ze over dertig jaar nog boeren, er iets fundamenteel moest veranderen. Ze zaaiden akkerranden in met wilde bloemen voor de insecten, probeerden de neergang van de weidevogels te keren, waren op allerlei manieren op zoek naar alternatieven. En hier en daar zag je die bloemige weilanden inderdaad terugkomen. Er bleef hoop.

Wat ik me vooral herinner was een wandeling over een, uit het oogpunt van natuurbescherming, voorbeeldig boerenbedrijf: het gras was lang en gevarieerd, er werd pas medio juni gemaaid, de waterstand ter plekke bleef hoog, de weidevogels werden op allerlei manieren ontzien en vertroeteld. Het was, in dit kale land, een oase voor grutto’s, er waren nesten en broedsels te over. Toch bleven, van de bijna vierhonderd jonge grutto’s, er dat jaar welgeteld vier in leven. ‘ We hadden camera’s bij de nesten,’ zei de boer. ‘We zagen ze voor onze ogen verhongeren.’ De eerste golf van insecten, waarvan deze jongen het moesten hebben, was uitgebleven. Waren het de insecticiden? Ofwas deze sterfte toch een van de vele gevolgen van de klimaatverandering?

terug naar de blog