Menu Sluiten

Maand: december 2025

Valvast: Van pleister-plakken naar echte zorg: waar trek je de grens?

Fase 6: Valvast (deze blog is een vervolg op mijn vorige blog Subsidies en lui maken) is niet zomaar “laat iedereen maar vallen en succes ermee”. Nee, het gaat om balans. Want ja, er zijn mensen die het écht niet redden. Mensen met een zware handicap, chronische ziekte, ernstige armoede of trauma’s die ze niet zelf hebben veroorzaakt. Voor hen moet er een vangnet zijn – en dat vangnet mag best royaal zijn. Ik ben zelf vrijwilliger bij een telefonische hulplijn; ik weet hoe belangrijk het is dat iemand luistert als het echt niet meer gaat.

Maar wat we nu zien, is dat we overal een pleister op plakken. Ook op schaafwondjes die met een beetje frisse lucht veel sneller genezen.

Neem dat verhaal uit het vorige dorp waar ik woonde. Een ondernemende organisator was zó kwaad op de toeristenbelasting die de gemeente wilde heffen op zijn evenement, dat hij besloot: geen entree meer. Geen kaartje, iedereen gratis naar binnen. Resultaat? Een veel groter publiek, een bruisend feest, meer lachende gezichten, meer biertjes getapt en uiteindelijk een veel succesvollere dag dan wanneer hij braaf die belasting had afgedragen. Door de regel te omzeilen en zelf een oplossing te zoeken, kwam hij sterker uit de strijd – en het hele dorp profiteerde mee.

Zo werkt het ook met mentale gezondheid. De een krijgt een diagnose, wordt in het systeem gezet en wacht nu al maanden op een afspraak bij de GGZ. Intussen zit hij thuis, voelt zich patiënt, het wachten knaagt, en het wachten zelf wordt een nieuwe last. De ander zegt: “Ik wacht niet langer” en gaat zelf op zoek – leest boeken, praat met lotgenoten, trekt de wandelschoenen aan, zoekt een privé-therapeut of een online cursus. Vaak komt hij er sterker uit, met meer eigen regie en zonder jarenlang vast te zitten aan tweewekelijkse halfuurtjes bij een psycholoog.

En neem nou AI als modern voorbeeld. Guido Stompff, een ontwerper en docent, deelde onlangs een treffend verhaal op LinkedIn. Hij gaf zijn derdejaars studenten een klassieke creatieve opdracht: wat kun je allemaal maken van een koffiefilter. Vroeger leidde dat tot wilde experimenten, samenwerking en originele ideeën. Nu? Stilte. Telefoons tevoorschijn, ChatGPT of Gemini raadplegen, en allemaal kwamen ze met bijna identieke suggesties. De studenten zaten er hulpeloos bij. Net zoals Google Maps ons hulpeloos heeft gemaakt met navigeren, maakt AI ons hulpeloos in creatief denken.

En dan hoorde ik laatst dit verhaal, dat me nog steeds een beetje blijft steken: in een dorp maaien dorpsbewoners vrijwillig het gras rondom een asielzoekerscentrum. Goed bedoeld, natuurlijk. Maar binnen zitten jonge asielzoekers van rond de twintig de hele dag te gamen. Fitte jongens die prima zelf een grasmaaier kunnen vasthouden. In plaats van ze uit te nodigen om mee te doen – “kom op, pak een maaier, dan is het in een uurtje klaar en drinken we daarna een colaatje” – doen we het voor ze. Weer een pleister op een schaafwondje dat met een beetje eigen inzet en frisse lucht prima zelf zou genezen.

Natuurlijk: voor wie echt vastzit, is die professionele hulp goud waard. Maar voor velen is dat wachtlijst-systeem juist een extra dikke pleister op een wond die met frisse lucht en eigen actie veel sneller geneest.

En ja, zelfs als er een beetje vuil in het wondje komt en er een klein ontstekinkje ontstaat – ook dát maakt je lichaam uiteindelijk sterker. Stel je voor: een kind valt in de modder, krijgt zand in de schaafwond. Thuisgekomen wil je meteen desinfecteren, pleister erop, “arme schat”. Maar laat je het een dag open, dan komt er misschien een rood randje, een beetje pus, een mini-oorlogje in het lichaam. Het immuunsysteem rukt uit, ruimt de indringers op, bouwt antistoffen op en sluit de boel af met een stevige korst. Een week later is de huid dikker, sterker, beter voorbereid op de volgende val. Precies zoals bij kinderen die buiten spelen en af en toe vies worden. Ze worden er niet zwakker van, maar weerbaarder – minder allergieën, minder snel ziek.

Een kind dat valt en een schrammetje heeft? Pleister erop, troosten, drama maken. Een tiener die een onvoldoende haalt? Meteen mailen met de leraar, bijles regelen, excuus zoeken. Een volwassene die een kritische opmerking krijgt? Direct naar HR, melding maken, “ik voel me onveilig”.

Het resultaat? De wond geneest niet sneller, maar langzamer. Want onder die pleister blijft het vochtig, broeierig, de huid wordt week en leert niet zelf harder te worden. Een schaafwond die in de open lucht staat, vormt binnen een paar dagen een korstje – ruw, lelijk misschien, maar oersterk. Daarna is het beter bestand tegen de volgende stoot.

Zo werkt het ook met psychologische wonden: een beetje ongemak, een beetje falen, een beetje kritiek. Zelfs een beetje “vuil” in de vorm van een harde les of een conflict – dat is de frisse lucht én de kleine infectie die ons immuunsysteem voor het leven traint.

De overgang naar fase 6 begint dus met een simpele vraag die jij jezelf kunt stellen als ouder, leraar, vriend, organisator of collega:

“Is dit een schaafwondje of een open botbreuk?”

Bij een schaafwondje: frisse lucht, beetje blazen, eventueel een beetje vuil erin laten, “kom op, zoek zelf een oplossing”. Bij een botbreuk: pleister, spalk, arts, wachtlijst, alle hulp die nodig is.

Als we dat onderscheid weer durven maken, dan:

  • krijgen de mensen die het écht nodig hebben de volle aandacht en middelen (want die gaan niet meer op aan schaafwondjes),
  • én groeit de rest op tot stormsterke volwassenen die niet bij elk wolkje denken dat de hemel instort – of bij elke regel meteen een subsidie of diagnose verwachten.

Het is geen hardheid. Het is echte zorg: zorg die geneest in plaats van smoort.

En ja, een wond geneest vaak sneller in de open lucht. Zelfs met een beetje vuil erin. Laten we die lucht weer toelaten – en laten we zelf weer ondernemen als het systeem ons in de weg zit.

Ik zag een gesprek met Jim van Os wat er super op aan sluit.

Mocht zelf eens stil willen staat hoe valvast je zelf bent opgevoed dan kan je de Valvast test doen.

Subsidies maken lui – en woke maakt slachtoffers

Krijg ik net een telefoontje van een dorpsgenoot: of ik al subsidie heb aangevraagd voor een activiteit. De vraag sloot naadloos aan bij de kern van deze blog. Sterker nog: de titel had ik al klaar.

Al die subsidies die je tegenwoordig kunt aanvragen voor activiteiten maken mensen lui. Sterker nog: we verleren zelf dingen te organiseren.

Dat je zwakker wordt als je een spier niet gebruikt, is een bekend fenomeen: “Use it or lose it”. Dat geldt voor alles in het leven. Gebruik je altijd navigatie? Dan vind je de weg nog maar met moeite. Hoofdrekenen, gitaarspelen, klaverjassen – het is nooit helemaal weg, maar het wordt wel “roestig”.

Hetzelfde gebeurt met het organiseren van activiteiten. Vroeger regelde Piet de ballen, Kees het net en Jannie de hapjes en drankjes (ja, ik zit in een traditionele omgeving). En hup, de buurtvolleybal kon los. Henk deed ook mee, ook al sportte hij niet zoveel – en laat hij nou net zijn enkel verzwikken. Die ballen en dat net hadden we kunnen lenen bij de volleybalvereniging. Misschien was Henk dan wel lid geworden.

Maar nee, we vragen het liever aan bij de gemeente. Want er is een potje voor.

Die reflex – alles meteen bij de overheid neerleggen – stuit me steeds meer tegen de borst. Zeker als we het zelf prima kunnen opbrengen. Ik zie bij gemeenten legers ambtenaren die zich bezighouden met “participatie”. Allemaal goed bedoeld. Je kúnt overal subsidie en hulp voor krijgen. Alleen zien we tegelijk dat de zelfredzaamheid afneemt.

Het heeft alles te maken met een doorgeschoten zorgcultuur – ook voor de “zwakkere”. Begrijp me goed: er móet aandacht zijn voor mensen die het echt niet redden. Daarom ben ik zelf vrijwilliger bij een telefonische hulplijn. Maar het eindeloos pamperen van curlingkinderen levert op latere leeftijd serieuze problemen op. Ik herken ze regelmatig in de gesprekken die ik voer.

Even zoeken en je vindt de wetenschappelijke onderbouwing: longitudinale data (o.a. Twenge et al.) laten een stijging zien van 63% in depressie en 71% in psychische stress bij millennials en Gen Z (2009-2017), deels gelinkt aan overbeschermende opvoeding.

Ik ben boerenzoon, opgegroeid met een iets hardere jeugd. Hutten bouwen, boomklimmen, vuurtje stoken (en je eraan branden), vallen met de fiets omdat we weer een stellage hadden gemaakt om overheen te springen. Beide knieën dragen nog de littekens. In die wereld leerde je op wie je kon bouwen en wie niet bij je paste. Hetzelfde zie ik bij jongeren in de stad die veel op straat leven: ook zij zoeken uit wie te vertrouwen is en wie niet (zie ook mijn eerdere blog over erfwijsheid).

“Boerenslimheid” en “streetwise” vind je vooral in armere wijken en op het platteland, waar men meer op gevoel vertrouwt dan op regels. Juist de overbescherming zie je vooral bij hogeropgeleiden. Recentelijk is er ophef over jongeren op het platteland die lijden onder groepsdruk. Daar moeten jongeren tegen beschermd worden. Echt een “woke gedachte”.

“Veel van wat we nu ‘woke’ noemen, is geen ideologie die uit de lucht komt vallen, maar een logisch cultureel bijproduct van een generatie die emotioneel in bubbelplastic is opgevoed: als je nooit hebt geleerd dat ongemak normaal is, ga je elk ongemak uiteindelijk zien als onrecht dat bestreden moet worden.”

Hoe zijn we hier terechtgekomen – en hoe komen we eruit? 6 stappen:

  1. Overbescherming → slappe weerbaarheid
  2. Slappe weerbaarheid → alles voelt als aanval
  3. Alles voelt als aanval → veiligheid is heilig
  4. Veiligheid is heilig → slachtofferrol = macht
  5. Slachtofferrol = macht → taalpolitie & cancelcultuur
  6. Laat ze weer vallen & falen → slachtofferschap verliest zijn glans en woke sterft vanzelf uit

Slotzin: De snelste manier om woke te killen is kinderen weer te laten vallen zonder dat wij er meteen een trauma van maken.Zie ook mijn volgende blog

Samenvattend: